Primair Onderwijs
De Wet gelijke behandeling op grond van handicap of chronische ziekte geldt ook in het primair en voortgezet onderwijs.
Tot nu toe worden de meeste zaken over ongelijke behandeling ten aanzien van geïndiceerde leerlingen met een Rugzakje (leerling gebonden financiering, lgf) aan de onderwijsconsulenten voorgelegd. Zij treden op als bemiddelaars. In veel gevallen leidt dit tot een snelle en bevredigende oplossing. Leidt bemiddeling door een onderwijsconsulent niet tot een oplossing dan kan men altijd bij de Commissie Gelijke Behandeling (CGB) terecht.
U kunt een uitspraak vragen aan de CGB over ongelijke behandeling op grond van handicap of chronische ziekte in het reguliere basis- en voortgezet onderwijs.
Het verbod op ongelijke behandeling geldt niet bij de toelating tot en deelname aan speciaal onderwijs.
De uitbreiding van de wet betekent dat ongelijke behandeling op grond van handicap of chronische ziekte in het primair en voortgezet onderwijs verboden is. Het verbod geldt voor:
-
het aanbieden van het onderwijs
-
het afnemen van toetsen
-
het afsluiten van onderwijs.
Bovendien bepaalt de wet dat als (een ouder van) een leerling met een beperking om een doeltreffende aanpassing vraagt de school verplicht is om deze te realiseren. Alleen als dit onevenredig belastend is kan de school dit weigeren. Bij een doeltreffende aanpassing kan gedacht worden aan:
-
aangepast lesmateriaal
-
aangepast lesrooster
De uitbreiding van de wet leidt er niet toe dat iedere leerling met een handicap of chronische ziekte altijd recht heeft op toelating tot een reguliere school van zijn of haar keuze. Het schoolbestuur kan namelijk geschiktheidseisen aan leerlingen stellen zoals de eis om een examen op het voortgezet onderwijs met goed gevolg te kunnen afleggen. Ook kan de school een leerling - beargumenteerd - afwijzen als de school de benodigde zorg niet kan leveren, bijvoorbeeld omdat er al veel leerlingen met een beperking de school bezoeken.





